Jan Jaap Siewers
Je bedenkt iets, je zet het neer en het werkt
Jan Jaap Siewers, docent Applicatieontwikkeling, vond school als kind helemaal niks. Mede daardoor is hij een groot voorstander van een andere manier van onderwijs geven. Dit is zijn verhaal.
“Wat mij enorm aansprak toen ik vijf jaar geleden bij Applicatieontwikkeling kwam, was dat er bijna niks was. Heerlijk, dacht ik, hier valt iets te doen. Ik hou er niet van als alles al georganiseerd is. Dat er nog weinig lesmateriaal was kwam ook omdat de opleiding daarvoor gekoppeld was aan ICT, en nu werd het een opzichzelfstaande opleiding. Dus veel moest nog ontwikkeld worden en daar kregen we ruimte voor.

Er is sindsdien veel gebeurd. Al het lesmateriaal is nu online, met video ondersteund. Dat betekent dat studenten het helemaal zelfstandig kunnen doorlopen. We hebben wel een evolutie doorgemaakt met deze nieuwe manier van lesgeven. Vroeger zat je als student tijdens de les applicatieontwikkeling naar codes te kijken op het scherm van de docent voor de klas. Maar als je het dan zelf moest doen, dan dacht je: hoe zat het ook alweer? En: hoe vind ik dat weer terug? Daarom zijn we gestart met het opnemen van de lessen, zodat studenten het kunnen terugkijken. Maar zo’n les is eigenlijk net als een tenniswedstrijd. Je bent vaak ballen aan het rapen, en eigenlijk ben je maar kort echt aan het tennissen. In een les heb je dat ook. Als je klassikaal werkt ben je een groot deel van de tijd kwijt om de mensen tot stilte te manen, of om vragen te beantwoorden die niet over de inhoud gaan. De tijd dat je effectief les kunt geven is minder lang en dat is zonde. Vandaar dat we de stap hebben gemaakt om de lessen van te voren op te nemen. Dan ben je helemaal voorbereid op wat je wilt overbrengen en ben je veel efficiënter. Inmiddels zijn alle basisvakken digitaal opgenomen en gebruiken we het om individueel les te geven. Dat geeft heel veel rust en ruimte. De studenten kunnen er zelfstandig mee aan de slag, in hun eigen tempo.

In het begin van de opleiding brengen we wel structuur aan voor de student. Dus we geven aan wanneer wat af moet zijn. Na een tijdje merk je dan dat de wegen van de studenten zich splitsen en iedereen volgt zijn eigen programma. Als ze wat verder zijn met de opleiding komt de fase dat we ze vragen zelf een planning te maken. We vragen wat ze gaan doen die week en dan bekijken we of dat gelukt is.

We doen dit nu ongeveer drie jaar. Het wordt elk jaar beter en de afgelopen twee jaar gaat het echt heel goed. Studenten willen eraan meewerken en vinden het mooi. En het heeft effect. Met name de goede studenten groeien enorm, die zaten eerder altijd tegen het plafond aan. En degenen die langzamer zijn, hebben ook gewoon een goed programma. Die maken niet meer alleen de deprimerende momenten mee, waarin ze weer een onvoldoende halen. Ze hebben nu gewoon progressie, alleen doen ze er iets langer over. Al met al is het allemaal veel positiever geworden. Dat merk ik zeker ook aan de sfeer.

De uitdaging

De beste reclame voor docenten is dat deze manier van werken heel fijn is. De klas in de hand houden hoeft niet meer. Tegelijkertijd is de uitdaging dat je veel aan coaching doet. Maar daar heb je nu ook veel tijd voor omdat je niet meer altijd voor de klas staat. Ik geef vrijwel geen klassikale lessen meer. Heel af en toe nog, als je de hele groep iets moet vertellen. Dan zie je dat soms ook andere docenten erbij komen, want we doen het niet meer in afgesloten lokalen. We delen kennis. Dat moet je wel durven natuurlijk. Want met deze manier van werken moet je goed weten waar je het over hebt. Vakkennis en bijscholing worden nog belangrijker.

Als docent ben je nu veel meer individueel met studenten bezig. Het is zeker wel een uitdaging om zestig studenten te coachen met zijn drieën. En dat zijn dan alleen nog maar de eerstejaars. We doen het echt met elkaar. Soms voeren we ook met zijn tweeën een gesprek met de student, als het met die persoon iets minder goed gaat. Bij mij gebeurt dit, bij de andere docent dat, en dan is het fijn om dat in één keer te bespreken. De training die we allemaal gevolgd hebben over loopbaanleren kun je goed gebruiken in de gesprekken. Je laat studenten veel zelf vertellen zodat ze zelf begrijpen hoe dingen anders kunnen. Mij valt op dat ze vaak goed weten wat er aan de hand is, en ze zijn heel eerlijk.

Ik merk wel dat ik niet met iedereen even veel gesprekken heb. Dus je moet goed in de gaten houden dat je de rustige studenten ook spreekt. Al zijn er ook mensen die gewoon minder aandacht nodig hebben. We vragen wel altijd: hoe gaat het met je, hebben we genoeg oog voor je? Dan vinden ze het prima.

Het nijlpaard en het vogeltje

Met deze manier van werken is het belangrijk dat je goed kunt zien hoe het gaat met de voortgang. En je wilt dingen kunnen bijhouden: wie je wanneer hebt gesproken, hoe zit het met stages, enzovoorts. Wat we daarvoor eigenlijk nodig hebben is een studentvolgsysteem. Waarin studenten zelf kunnen plannen en wij ook kunnen zien wie zich aan de planning gehouden heeft. Helaas is het zo dat de systemen die wij nodig hebben, er niet zijn. Soms ontwikkelen we zelf iets want onze standaardsystemen zijn allemaal afgestemd op groepen. En wij werken natuurlijk individueel. Een simpel voorbeeld. Als er nu examens zijn, dan hebben wij studenten uit verschillende groepen die daaraan meedoen. Normaal duurt de opleiding drie jaar, maar sommige doen er twee jaar over. En er is dan ook weer iemand die het zelfs in één jaar heeft afgerond. Dat vraagt om een nieuwe manier van organiseren.

Ik heb wel eens een plaatje laten zien in een presentatie van een nijlpaard met een klein vogeltje op zijn rug. Wij zijn dat vogeltje. Wij vliegen alle kanten uit, maar dat nijlpaard – het schoolsysteem – beweegt heel langzaam. Samen met Machteld Greiner kijken we wel hoe we de opleiding zo kunnen organiseren dat het binnen het systeem toch kan. We werken nu bijvoorbeeld roosterloos. Iedereen moet er van half negen tot kwart voor drie zijn. Dat is heerlijk. Niemand zit meer te piepen over uren die uitvallen of over het ruilen van uren. Iets anders dat vraagt om een nieuwe aanpak is het feit dat we niet met toetsen werken. Wij werken met een challenge: de studenten krijgen een opdracht die niet te maken is. De een komt tot 10%, de ander tot 70%, een enkeling tot 80%, maar 100% is in feite onmogelijk. Zo’n challenge wordt een soort wedstrijd van wie komt het verst. Er komen geen cijfers uit, wel een score. Het gaat erom dat je aantoont dat je een ontwikkeling doormaakt. Dit soort dingen moeten we wel blijven uitleggen, niet alleen hier intern, maar ook aan ouders. Voor iedereen is het nieuw. Je merkt gelukkig dat de studenten heel enthousiast zijn en dan is er weinig aan de hand.

We werken graag veel samen met bedrijven. Niet alleen met stages, maar ook met projectopdrachten waarbij studenten bijvoorbeeld twee dagen in de week aan een opdracht kunnen werken in een bedrijf. Maar hoe leg je dat vast in een stagecontract? Hoe verantwoorden we dat? Het aantal uren klopt dan niet meer. Allemaal voorbeelden waar we tegenaanlopen. Misschien zijn er daarom nog niet zo veel scholen die zo werken; we zijn redelijk uniek. Je moet immers uiteindelijk wel alles kunnen verantwoorden. Dus het is echt mooi dat we binnen deze organisatie de ruimte krijgen om dit te doen.

Wat heb je nodig om te leren

Als kind vond ik school echt waardeloos. Dat moet anders kunnen, dacht ik toen al. Eigenlijk inspireert me dat nog steeds om de dingen nu zo anders te doen. Wat je in het onderwijs wel ziet gebeuren is dat we bezig zijn met vragen als: hoe houden we de horde studenten die elk jaar weer komt, in bedwang? En dan gaan we alles organiseren en controleren. Terwijl je het eigenlijk een beetje moet loslaten. Voor mij was de master Pedagogiek die ik heb gedaan, in dat opzicht een verademing. Daar kijken we steeds naar de vraag: wat heb je nodig om iets te leren? Dat is heel iets anders dan: hoe krijg ik die dertig mensen stil?

Als je kijkt naar wat je in de maatschappij nodig hebt, dan is het creativiteit. We moeten zelf kunnen denken in de kenniseconomie, maar dat wordt je eigenlijk meteen afgeleerd aan het begin van je leven. Mede daarom geeft de manier waarop wij werken soms wel even een ‘shockeffect’. Toch gaat het met de meeste studenten meteen vrij goed. Er zijn er wel een aantal die er moeite mee hebben, maar die hebben eigenlijk gewoon moeite met volwassen worden en durven het nog niet aan om te laten zien wat ze kunnen. Die zijn nog een beetje ‘jong’. Dan duurt het gewoon wat langer en moet je wat meer geduld hebben. Uiteindelijk komt er vanzelf zo’n moment waarop er iets verandert. Bijvoorbeeld als een vriend al op stage gaat, en jij blijft achter. Of bij de challenge, als je ziet dat een ander opeens heel ver komt en jij niet. Dan gebeurt er wel iets. En eigenlijk is dat de kunst voor ons als docenten: wij moeten de omgeving steeds zo aanpassen, dat er bij de student iets verandert.

Voor mij is de kick: je bedenkt iets, je zet het neer en het werkt. Het is natuurlijk niet zo dat je iets neerzet en het is klaar. Je moet voortdurend bezig blijven, nieuwe filmpjes maken en je verdiepen in de ontwikkelingen. Ik zie dat de studenten tevreden zijn en dat ze een hoop leren. We hebben nu opeens een ander probleem. De studenten vinden het zo leuk op school, dat ze niet meer naar huis willen :). Dat lossen we natuurlijk ook wel weer op.”

GA TERUG...